In alimentatiezaken geldt normaal gesproken dat afspraken in een ouderschapsplan bindend zijn. Toch kan een overeengekomen alimentatiebijdrage worden aangepast bij een grove miskenning van wettelijke maatstaven. Dat blijkt uit deze uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Een gescheiden stel met een minderjarig kind maakt in 2019 een ouderschapsplan. Daarin spreken zij af dat zij allebei € 300 per maand bijdragen voor hun kind. Deze afspraak wordt in 2020 bevestigd door de rechtbank. Tijdens de behandeling van het plan ter zitting destijds bij de rechtbank verklaart de vader dat hij het bedrag niet kan betalen, maar dat hij toch instemt met het plan. Nu hij in de schulden zit moet hij op die toezegging terugkomen.
Schulden
De schulden van de vader zijn sinds 2020 nog verder opgelopen. In 2023 worden zijn goederen zelfs onder bewind gesteld vanwege problematische schulden. Na verkoop van de voormalige echtelijke woning ontvangt hij een aanzienlijk bedrag, maar dit besteedt de man aan zijn gok- en drugsverslaving. Niet aan de kinderalimentatie. Op het moment van de zitting bij het hof ontvangt de man een bijstandsuitkering en staat hij nog steeds onder bewind.
Nihil
Vanwege zijn slechte financiële situatie verzoekt (de bewindvoerder van) de vader het hof om de eerder overeengekomen kinderalimentatie op nul te stellen, dan wel te verlagen. Volgens hem is de oorspronkelijke afspraak aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. De rechtbank wees het verzoek van de man in eerste instantie af, maar in hoger beroep kijkt het hof er toch anders naar.
Grove miskenning
De wet biedt ruimte om een ouderschapsplan te wijzigen als dit is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Daarvan is sprake als, uitgaande van dezelfde gegevens, een duidelijke wanverhouding bestaat tussen de overeengekomen bijdrage en de bijdrage die een rechter zou hebben vastgesteld als deze er over had moeten oordelen.
Geen draagkracht
Het hof stelt vast dat de man in 2020 geen draagkracht had. Ook de behoefteberekening van het kind die destijds is gemaakt klopt niet. Anders dan de vrouw stelt, is volgens het hof van een bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven geen sprake: de vader werd in 2020 niet juridisch bijgestaan en had geen inzicht in de relevante berekeningen. Dat de rechter hem destijds tot drie keer toe heeft gewaarschuwd, maakt dit volgens het hof niet anders. Volgens de man wilde de vrouw destijds dat hij € 300 zou bijdragen en dacht hij “toe maar”.
Vaststelling
Het hof concludeert daarom dat het plan is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Het hof stelt de alimentatieverplichting voor de man opnieuw vast op € 25 per maand.